Vooruit achteruit

OriginalPhoto-547028612.156952.jpg

Daar staat ze weer mooi te wezen in het scheepsdok: Alida, mijn voormalige binnenvaartsleper waar ik al 36 jaar op woon. Voor mij is het nu de zevende keer dat ik met haar naar de werf ben, en voor de tweede keer bij deze werf waar ik de naam niet van zal noemen. Waarom, dat zal later duidelijk worden.

Eerst een stukje geschiedenis

Na een paar onderhoudsbeurten bij scheepswerf Brouwer in Zaandam, wilde ik eens een kleinere werf uitproberen en iets dichter bij ‘huis’. De gigantische Güldner scheepsmotor van 6 oude PK was er toen al uit gehesen door ‘die lange’, zoals de sluwe Amsterdamse scheepssloper Willem Jansen op het sloopterrein bij Wittenburg werd genoemd.

“Hoe diep steekt tie nu?”, mompelde de ouwe hellingbaas in Amsterdam-Noord. En na wat gepeins en gereken: “Laat maar komme, die verdomde schuit.” En ja hoor, scheepswerf De Ceuvel-Volharding bleek net krachtig genoeg om mijn stalen bakbeest te temmen al was het een zenuwslopende operatie.

Ook het kleine scheepswerfje Stella Maris aan de Klaprozenweg kreeg niet dagelijks zo’n zwaargewicht over de vloer, maar het lukte. Prompt prijkte Alida nog datzelfde jaar op hun nieuwjaarskaart voor de vaste klandizie. Die hadden ze toch maar mooi met man en macht op de helling getrokken!

Vooral oude bootwerkers met die door zon en teer verweerde koppen en handen als kolenschoppen, beschikken over een enorme stoot aan praktijkervaring en vakkennis. De verhalen over de Amsterdamse woonboten, veelal voormalige binnenvaartscheepjes, mogen niet verloren gaan en worden op de werven doorverteld.

Verhalen aan wie het maar wil horen.

Op de meetbrief van Alida staat: bouwjaar en bouwplaats zijn onbekend. Maar aan de bouw van de romp en zelfs aan het profiel van de stalen platen boven het vlak in de machinekamer, kon zo’n bootwerker bij Brouwer aflezen dat Alida van origine een stoomsleper is van Duitse makelarij en daar ergens rond 1900 moet zijn gebouwd. Dat verhaal werd later weer door anderen bevestigd. Er zouden zelfs kanonnen op hebben gestaan en het schip was hoogstwaarschijnlijk achtergelaten door de moffen tijdens hun vlucht uit Nederland. Feitelijk bewoon ik dus een oorlogsbuit.

Ook weet ik dat Alida kort na de Tweede Wereldoorlog door een te zware sleep is gekapseisd en gezonken op het IJsselmeer, waarbij twee van de drie opvarenden, de eigenaar en een matroos zijn verdronken. Soms spookt dat zeiknatte tweetal ’s nachts rond in het achteronder wat nu mijn badkamer is, en dan roep ik boos dat ze moeten opzouten omdat ik wil slapen.

En later, eind jaren ’70, hebben een stel klungels van een scheepswerf in het Amsterdamse Bos deze kanjer door een hellingkar laten zakken. De schade is nog steeds zichtbaar. Aan bakboord ontbreekt een paar meter potdeksel en een setje bolders en in de scheepshuid onder de waterlijn zit een enorme deuk. Laat dat maar eens repareren.

En dan nog de grote brand op 21 december 1998 waarbij mijn zesjarige dochtertje en ik zelf ternauwernood aan de dood ontsnapten! De helft van het schip fikte af en mijn huisraad dreef óf in de Amstel, óf was verworden tot zwartgeblakerd of stinkend afval. Het heeft even geduurd en heel veel gekost, ook tranen natuurlijk, maar uiteindelijk is alles weer goedgekomen. Zelfs meer dan dat. Maar dat is weer een heel ander verhaal ;-)

Met de boot naar de helling

Dat beleefde ik altijd als een klein avontuur. Nadat het schip met de hellingkar op het droge was getrokken, spoot ik de scheepshuid schoon met zo’n krachtige hogedrukspuit waar je lekker met je volle gewicht tegenaan moest hangen om niet om te lazeren. Je hoorde de arme mosseltjes piepen. Zodra het schip droog stond, kwam de werfbaas met een grote voorhamer en ramde erop los. Aan het geluid kon hij horen waar zwakke plekken zaten. Een paar rotte klinknagels oplassen was normaal maar als ik pech had, moest er ergens een plaatje komen. Een dure grap, maar er viel altijd op een speelse manier wat af te dingen of een beetje te sjoemelen door een deel te betalen zonder bon.

En dan tweeenhalve dag teren met de bokkepoot en rollers aan een lange stok, tweemaal rondom tot aan het berghout en een keer extra op de waterlijn. Met hulp van vrienden, soms ook alleen. Met een volgesmeerde kop vaseline en een hoofddoekje op of pet. Het was altijd wel afzien maar het scheelde honderden guldens.

Ondertussen kampeerde ik dan in mijn eigen boothuis zonder aansluitingen en afvoer, dus ook zonder douche en plee. Maar het personeel deed altijd moeite om het me zo comfortabel mogelijk te maken met een draadje stroom, een waterslangetje en bij Stella Maris zelfs een afvoer van het toilet! Wat een service! Eenmaal terug in het water kwam het sleepbedrijf van Ramiro da Silva om de boot weer terug te slepen naar haar vertrouwde stek op de Amstel.

Maar tijden veranderen

Zelf afspuiten mag niet meer en de vervuilde riviermosseltjes die vroeger gewoon in de rivier werden gedumpt, worden nu gewogen en voor het afvoeren betaal je per gewicht. Ook het zelf afkrabben en teren onder de waterlijn is verleden tijd. Dat is nu opeens te gevaarlijk. Echte teer mag trouwens niet meer worden gebruikt. De milieuvriendelijke smeersels hebben nu dure namen zoals Sigma Vikote 12 primer en Vikote 42 coating, en ze spuiten die handel er in een mum van tijd op. En dat allemaal onder het mom van milieuvriendelijkheid. Maar ondertussen wordt daar uiteraard goed aan verdiend.

Kleine werfjes gingen op de fles vanwege allerlei gemeentelijke bouwplannen en nieuwe regelgeving. Zo wilde de gemeente een brug bouwen waardoor de 80 jaar oude scheepswerf De Ceuvel-Volharding niet langer bereikbaar zou worden voor schepen. Het voormalige terrein heet nu Ceuvel en is een broedplaats annex café geworden voor keuvelende jongelui. Ook het historische hellinkje aan de Tweede Wittenburgerdwarsstraat van de familie Beffers, waar mijn buren altijd naartoe gingen maar waar Alida te diep voor stak, werd door de gemeente weggesaneerd.

Sinds de oude werkbaas van Stella Maris is overleden richt de zoon zich liever op dekschuiten en het iets kleinere grut. Hij wil geen risico nemen met mijn schip en ik geef hem geen ongelijk. Ik moest weer uitwijken naar Zaandam waar men Alida in het droogdok kan zetten. Want al staat er geen scheepsdiesel meer in, vanwege haar diepgang blijft ze een lastige tante om op een helling te trekken.

Nu staat ze voor de tweede maal in dok 3 van een Noord-Hollandse scheepswerf.

De werf is sinds een paar jaar in handen van een nieuwe eigenaar, zo’n jonge miljonairszoon die zelf niets heeft hoeven opbouwen en dus ook niets heeft te verliezen. En dat is te merken… De voorheen vriendelijke scheepswerf is veranderd in een kil zakelijk bedrijf waar je bij binnenkomst een stapeltje A-4tjes met stompzinnige regeltjes in je handen krijgt gedrukt, inclusief boeteclausules bij overtredingen. Zaten er vroeger slechts twee mensen op kantoor, de baas en zijn secretaresse, nu is het kantoorpersoneel niet meer te tellen al maakt dat de communicatie allesbehalve helder. Wel wordt uitdrukkelijk medegedeeld om de factuur te voldoen vóór het verlaten van de werf. Over een deel betalen zonder bon durf ik niet eens te beginnen. Voor je het weet zien ze mij aan voor een witwascrimineel.

Enfin.

We zitten nu al bijna twee weken in de stank van verrotte vis bij een temperatuur van 26 graden omdat de afgespoten troep nog steeds niet is afgevoerd. De strontvliegen en binnenvaartmuggen draaien hier overuren. De stroom valt een paar keer per dag uit, zelfs tijdens de laswerkzaamheden, voor een beetje WiFi en een slangetje drinkwater liggen we te ver weg van het hoofdgebouw en aan het sanitair is de afgelopen jaren geen rooie cent besteed. Wat kost nou zo’n ding waar je een douchekop op kunt schuiven en waarmee je hem kunt richten op je hoofd in plaats van op de blinde muur? En dan vinden ze het raar dat al die nieuwgeldbootbewoners gedurende de hele werfbeurt op hun kont zitten onder de koperen ploert op Hawaï.

“Desinteresse”, noemde de bedrijfsleider het minachtend tijdens het maken van de afspraak voor onze werfbeurt. Ik was het volledig met hem eens. De nieuwe generatie woonbootbewoners begrijpt inderdaad niks van het botenleven. Ze kopen een schip, strippen de boel, plaatsen er een Ikeakeuken in en laten een paar rechthoeken uit de romp snijden voor een stel kunstof ramen. En als ze een meter water in het vlak ontdekken, komen ze bij ons een klokpomp lenen.

Die lui kom je op deze werf niet tegen. Maar zelfs ik, als doorgewinterde bootbewoonster kan ze daar helaas geen ongelijk in geven. De service richting klanten die tijdens de werfbeurt op hun boot willen blijven wonen is gedaald naar nul.

Ook de vaklieden die hier al tientallen jaren werken ergeren zich aan de aftakeling. De werf is als een stuurloos schip nu de stevige structuur is weggevallen en de authentieke sfeer om zeep gebracht. Ze morren en zijn minder gemotiveerd nu ze ploeteren voor zo’n snelle jongen die zich verslikt in innovatie en niets begrijpt van het verleden, laat staan dat hij er iets van heeft geleerd. Kan hem wat schelen. Het zal me dan ook niets verbazen als de hele handel binnen een paar jaar van de hand wordt gedaan voor het driedubbele.

In een oude Schuttevaer lees ik een interview met hem en de quote bij het fotobijschrift zegt me genoeg: “De vorige directie was wat van de oudere stempel: jij doet zus, jij doet zo. Ik ben veel meer van: hoe zou jij dat doen?”

Eh…

Nou, als je het mij vraagt, in ieder geval niet zoals jij.