Ginny Mooy – Moordjongens

Nu antropologe Ginny Mooy regelmatig in het nieuws is vanwege haar plek binnen het Red Team, ben ik even in mijn archief gedoken op zoek naar het interview dat ik in 2009 met haar had voor Mijn Geheim.

Cultureel Antropologe Ginny Mooy (35) doet onderzoek naar voormalige kindsoldaten in Sierra Leone. Onlangs verscheen haar boek ‘Moordjongens’, waarin ze de waargebeurde ervaringen van twee kindsoldaten beschrijft. Inmiddels verwacht ze een baby van haar vriend Lansana, zelf ook een ex-kindsoldaat.

tekst en foto’s: Miranda Birney

Moordmachines

“Ik had een fascinatie voor oorlogsslachtoffers. Het verwonderde mij hoe sterk deze mensen waren om na een oorlog weer een leven op te bouwen. Kindsoldaten vond ik de meest extreme vorm van oorlogsslachtoffer zijn. In een interview op televisie vertelde een mevrouw dat er jaarlijks zo’n 300.000 kindsoldaten werden ingezet in de gewapende strijd. Er werd over gesproken alsof het moordmachines waren waarmee het nooit meer zou goed komen. Deze kinderen zouden in een cyclus van geweldpleging terechtkomen. De boodschap was duidelijk: zij kennen niets anders dan geweld. Ik dacht toen: hoe kan het dat we daar nooit iets over horen? Dan verwacht je toch berichten over geflipte kindsoldaten die zomaar met een geweer of kapmes ergens een hele schoolklas uitmoorden? Maar die dingen gebeurden daar kennelijk niet. In westerse landen wel. Hoe is dat mogelijk? Terwijl wij met z’n allen zo lekker normaal zijn, en zij zo ‘abnormaal’? Ik wilde weten wat er na de oorlog gebeurde met deze voormalige kindsoldaten.

Tijdens mijn studie antropologie leerde ik een paar ex-kindsoldaten uit Sierra Leone kennen. Ze woonden achter ons, in een soort tussenfasehuis waar statushouders wachten op een woning. Ik sprak met ze, en ging over kindsoldaten lezen. Bij antropologie sluit je je afstudeerveldwerk af met een veldwerkperiode. Voor mij was het duidelijk. Ik wilde werken met kindsoldaten en vertrok in 2006 voor vier maanden naar Sierra Leone.

“Ik kon naar ze luisteren zonder over hun oorlogsdaden te oordelen”

Mijn onderzoeksmethode was echt participerende observatie, zoals dat heet in de antropologie. Dat betekent dat je met je onderzoeksgroep samenleeft, en er van binnenuit achterkomt wat speelt in hun leven. Zij stonden van hun kant ook open voor mijn onderzoek. Want als er een westerling komt met geld of mogelijkheden, klampen ze je vast, in de hoop dat je iets voor ze kan betekenen. Ik ging op basis van gelijkwaardigheid met de jongens om, leefde hun leven en sloot al snel vriendschap met ze. Ze vertelden mij over hun gevoelsleven en deelden hun geheimen.

Ik kwam daar met een specifiek doel: ik wilde over hun oorlogservaringen horen. Het was vijf jaar na de burgeroorlog, dus de gebeurtenissen waren vrij vers. Binnen de samenleving werden de ex-kindsoldaten vaak met de nek aangekeken, en werd er niet openlijk over hetgeen gebeurd was gepraat. De kinderen waren vaak een of beide ouders verloren, of banden met familie waren verbroken. Misschien was het voor de jongens ook makkelijker om de gruwelijke verhalen en ervaringen te vertellen aan iemand van buitenaf. Ik kon naar ze luisteren zonder over hun oorlogsdaden te oordelen.

De meeste jongens die ik sprak hebben geen oorlogstrauma. Dat komt doordat ze tijdens het vechten constant onder de drugs zaten. De cocaïne werd rechtstreeks het hoofd ingespoten, en aan het eten werd marihuana toegevoegd. Ze waren de hele dag knetterhigh en zopen ook nog veel. Die voortdurende roes maakt dat hun herinnering aan alles wat ze hebben meegemaakt vaag is. Het ‘geluk’ voor deze kindsoldaten is dat ze achteraf konden zeggen: ik was mezelf niet. Ik was een willoze slaaf want onder invloed van drugs. Dat was voor hun een manier om niet de verantwoording voor hun daden te nemen. Ook in een land als Soedan hebben veel kinderen deelgenomen aan oorlogshandelingen, maar zij vochten niet onder invloed van drugs. Door hun nog levendige herinneringen hebben zij het daarom veel moeilijker om hun leven weer op de rails te krijgen.

Na de oorlog hebben de kindsoldaten uit Sierra Leone natuurlijk te maken gehad met ontwenningsverschijnselen die ze keihard hebben moeten doorstaan. De meesten hebben daar nu geen last meer van. Wel merk je dat ze vaak lijden aan concentratiestoornissen en daardoor leerachterstanden hebben. Hun hersenen hebben een flinke optater gekregen. Er zijn ook jongens bij die nog steeds verslaafd zijn en in de criminaliteit terecht zijn gekomen. Zij hebben hun leven totaal niet op orde. En drugsopvang in Sierra Leone bestaat niet, en al helemaal geen methadon. 

Relatie

De eerste week kreeg ik al een relatie. Ik kwam op maandagavond aan en leerde Lansana (26), ook ex-kindsoldaat, op dinsdagochtend kennen. De eerste vraag die hij me toen stelde was: “Heb je er wel eens aan gedacht om ooit een relatie met een zwarte man te beginnen?” Ik antwoordde: “Waarom niet, ik zie geen kleurverschil. Maar ik ben hier niet gekomen voor een romance.” We hadden al contact met elkaar gehad toen ik nog in Nederland was, omdat hij mijn onderzoeksassistent zou worden. ‘Hoe gaan we elkaar herkennen?’, hadden we ons afgevraagd, waarop we elkaar een foto mailden. Ik belde hem vervolgens op waarop hij tien minuten lang alleen maar bleef stamelen: “Oh, you are so beautiful, you are so beautiful…” Ik dacht: dit gaat echt niet goed.

Toen we elkaar voor het eerst in Sierra Leone ontmoetten was hij helemaal onder de indruk van mij. Maar ik moest daar zoveel doen in die vier maanden. Ik was een zeer gedreven student en had echt geen tijd voor een relatie. Mijn ex-vriend ging na een relatie van zes jaar bij me weg omdat ik alleen maar met mijn neus in de boeken zat. Zo saai. Ook nu was ik enorm gefocust op mijn doel. En als ik iets met iemand zou beginnen, dan zeker niet met mijn onderzoeksassistent. Maar op zaterdag was het zover. We kregen een relatie, maar werden ook hele hechte vrienden.

“Toen ik na die vier maanden terugvloog naar Nederland, voelde het alsof er een arm bij me was afgehakt”

De manier waarop ik onderzoek naar voormalige kindsoldaten doe is heel erg pittig. Ik duik helemaal in hun leven en het gaat continu over oorlog. Over de gruweldaden die de jongens hebben gepleegd. Vaak ook onder dwang, want wie weigerde werd zelf vermoord. Ze geloven nog steeds niet in de stabiele vrede, dus als er politieke onrust is, zijn ze meteen in paniek en bang voor oorlog. Dat is heel zwaar om mee te maken. Je moet het als onderzoeker ook zelf allemaal kunnen behappen wat ze vertellen: moorden, martelen, verkrachten. Maar Lansana en ik maakten dat samen mee en dat gaf ons een heel sterk gevoel van eenheid. Toen ik na die vier maanden terugvloog naar Nederland, voelde het alsof er een arm bij me was afgehakt. Ik voelde me niet meer compleet.

Stichting Mind to Change

Ongeveer een half jaar later vertrok ik voor de tweede keer naar Sierra Leone, en toen ben ik daar gebleven. Ik besloot om promotieonderzoek te doen want er waren nog zoveel vragen. Daarnaast wilde ik ook graag iets voor ze te betekenen. Ik wilde iets terugdoen omdat ik ook iets nam. Daarom heb ik een jaar geleden de stichting Mind to Change opgericht die projecten gaat opzetten. Er blijkt vooral behoefte te zijn aan praktische hulp zoals de mogelijkheid om een vak te leren of een scholing te doorlopen, zodat ze zelf een stabiel en zelfstandig leven kunnen opbouwen met werk, een huis en een vriendenkring. De meeste jongens wonen als huisknecht bij hun eigen familie, of ze wonen in bij een vreemde familie. Ze doen de huishoudelijk klussen en kunnen daarnaast naar school. Al zijn ze zelf inmiddels geen kind meer, ze moeten wel naar de familie luisteren, zodat ze opnieuw een sociaal referentiekader opbouwen dat ze lange tijd hebben gemist. Het is een betere leefsituatie voor ze, dan dat ze met z’n allen in een opvanghuis zitten met alleen elkaars normen en waarden. 

Ik heb zoveel van deze ex-kindsoldaten ontmoet, ik kan ze niet tellen. Ze komen uit verschillende dorpen en steden, maar de meesten wonen in mijn eigen woonplaats Bo, vijf uur rijden van de hoofdstad Freetown. Sommigen zijn weer geaccepteerd door hun familieleden en hebben een fijne positie gevonden in de samenleving. Anderen worden nog steeds uitgekotst, en dat is de groep die ik wil helpen met de stichting Mind to Change.

Voor mijn promotieonderzoek heb ik een groep samengesteld van 25 jongens die ik blijf volgen met een harde kern van 10. De jongste is nu 17 jaar en de oudste 36. Er zijn intussen ook meisjes bij gekomen, want er zijn ook vrouwelijk kindsoldaten.

Seksuele rooftocht

Van de meisjes wist ik dat ze ongeveer dezelfde ervaring hebben wat betreft vechten en hun rekrutering. Maar er komt een ander heel zwaar onderdeel bij, en dat is dat ze vrijwel allemaal seksueel zijn misbruikt. Er waren ook meisjes die dit misbruik op een gegeven moment als een soort handel gebruikten, om bepaalde situaties in hun voordeel te manipuleren.

De jongens zeiden: “Als je wrede kindsoldaten zoekt moet je bij de meisjes zijn, die zijn het ergste van iedereen.” Een van de eerste verhalen die ik hierover hoorde was van een jongen die een vriendin had die ook in het leger zat. Als zij zich verveelde ging ze op seksuele rooftocht, laat ik het maar zo noemen. Dan ging ze met een stel meiden de wijken in om mannen te dwingen seks met ze te hebben, op een hele verschrikkelijke manier. Toen heb ik besloten om daar niks mee te doen. Want ik begrijp het niet, en ga dat in zo’n korte periode ook niet begrijpen. Seksueel misbruik en seksuele manipulatie, en hoe dat in elkaar overgaat, is een onderzoek op zich. Als ik dat allemaal te snel ineens ga doen, dan wordt het echt teveel voor me. Je moet je onderzoek ook afbakenen. Ik heb nu 10 meisjes en daar hou ik het bij.

“Hoe zeer je ook je best doet om gewoon Nederlander te zijn, je blijft voor Nederlanders toch altijd een buitenlander”

Indisch

Waar mijn speciale interesse naar oorlog vandaan komt weet ik eigenlijk niet. Ik herinner me wel dat mijn vader op een gegeven moment heel erg kwaad werd omdat ik, samen met mijn broer en zus, oorlogje aan het spelen was tijdens Dodenherdenking. Dat maakte mij nieuwsgierig, want wat was er zo bijzonder aan? Er werd bij ons thuis niet alleen veel aandacht besteed aan de oorlog, maar ook aan racisme. Mijn moeder is na de oorlog geboren, en kwam op haar derde jaar uit Indonesië naar Nederland. Mijn vader is Nederlands, dus ben ik Indisch.

Mijn moeder zei vroeger altijd tegen mij: “Denk erom, ten eerste ben je vrouw, dus er zal van jou twee keer zoveel worden verwacht dan van een man. En ten tweede: je bent een kleurling. Dus je zal altijd heel hard moeten werken om jezelf te bewijzen.” Daar is in mijn opvoeding altijd veel nadruk op gelegd.

Ik voelde me niet thuis in Nederland. Op de basisschool in Amsterdam werd ik met mijn zusje altijd in groepjes gezet met de allochtone kinderen. En toen we naar Almere verhuisden kregen we automatisch een plekje aan het tafeltje met de Vietnamese bootvluchtelingen. De Nederlandse kinderen zaten aan andere tafeltjes bij elkaar. Als klein kind heb je niet door dat je anders bent dan andere kinderen. Totdat het uitschelden begint en de rare opmerkingen. Ik werd voor ‘blauwe’ uitgescholden en voor ‘poepchinees’. Dan sta je opeens overal buiten. En hoe zeer je ook je best doet om gewoon Nederlander te zijn, je blijft voor Nederlanders toch altijd een buitenlander. Dat idee heb ik altijd gehouden.

Maar ik heb misschien de pech dat ik op een Marokkaan lijk. Dat merkte ik vooral na de dood van Pim Fortuyn. Ik werd en wordt uitgemaakt voor ‘kankermarokkaan’, en ook weleens voor ‘kutturk’. Mensen wilden in de tram niet naast mij zitten. En na de moord op Theo van Gogh ben ik weleens in het openbaar vervoer door mensen in mijn gezicht gespuwd en aan mijn haren getrokken. Nee, je wilt geen Marokkaan zijn in Nederland, echt niet. Maar Marokkanen doen het zelf ook. Zij zagen mij weleens aan voor een Marokkaans meisje zonder hoofddoek, en riepen dan: hee, blanke hoer!

“Wat ik zo heerlijk vind in Afrika is: je zit in het openbaar vervoer en een meisje achter je begint zomaar te zingen”

Nu ik veel in Afrika ben en dus vergelijkingsmateriaal heb, merk ik ook dat het levensritme hier in Nederland minder goed bij me past. In Afrika kan je best om zeven uur in de ochtend iets afspreken, maar verwacht niet dat ik er dan keurig netjes bij zit. Het leven is daar veel gemoedelijker.

Schone schijn

Hier gaat het allemaal om de buitenkant en de schone schijn. Mensen hebben niks menselijks meer, dat poetsen we allemaal weg. We gaan niet met ongekamde haren en zonder make-up naar de supermarkt. Alles wat menselijk is wordt binnenshuis gehouden. Zelfs in relaties vind ik dat mensen veel toneelspelen naar elkaar. Lijnen, onzekerheid over het uiterlijk, elkaar controleren. Je moet spannend blijven en interessant. Ik ken maar heel weinig mensen die het achterste van hun tong laten zien binnen de relatie. Mijn vriend kent wel echt al mijn nare trekjes. Nee, die schone schijn ophouden, dat heb ik niet zo.

In Sierra Leone is weinig schaamte en perfectionisme. De mensen van ‘mijn klasse’ zijn wel heel erg gericht op de prestaties van de kinderen. Als je de mogelijkheid hebt om naar school te gaan, ga je in je vrije tijd naar een debatclubje. Maar ze stimuleren het op een relaxte manier en je mag zoveel fouten maken als je wil. Als je in Nederland iets doet moet je van tevoren al weten dat je het voor 100% perfect gaat doen. Dat vind ik heel vermoeiend. Wat ik zo heerlijk vind in Afrika is: je zit in het openbaar vervoer en een meisje achter je begint zomaar te zingen. En dan gaat een ander meezingen. Als je dat hier doet vinden ze je meteen een idioot. Dat is Nederland. Benauwend. Je kan niet experimenteren met jezelf want alles word je aangerekend.

Maar heilige huisjes bestaan niet voor mij. Dus op mijn weblog ben ik lekker aan het experimenteren. Mensen mogen alles van me weten. Ik ben niet perfect en zo wil ik me ook niet voordoen.

Hatemail

Het liefst schrijf ik over gevoelens of gebeurtenissen waarvan ik denk dat heel veel mensen ze hebben, maar er niet zo openlijk over durven te praten. Ik ben een aansprekend rolmodel voor vrouwen, ook vanwege mijn uiterlijk, en zie het als een taak om ze aan het denken te zetten. Ik vind het heerlijk om ponerend te schrijven over onderwerpen zoals porno, pijpen of hoerenlopen en lekker tegen een zeer been aan te trappen. Dat is mijn schrijfstijl, ik ben ook niet van de nuance ofzo.

Hoewel…Sierra Leone heeft me wel iets zachter gemaakt. Ik had echt zo’n scherpe Hollandse tong. Je dropt een stelling en dan volgt er een zwart-wit discussie. Dat kennen ze daar niet. Ik heb geleerd dat een scherpe tong ook heel onhebbelijk is en veel open discussie in de weg staat.

Ik krijg veel positieve reacties op mijn blog, maar ook hatemail. “Negerhoer, rot op naar je bananeneiland, anders pakken we je. We weten je te vinden.” Ik laat deze dreigementen expres staan zodat mensen kunnen zien dat het echt gebeurt. Op het politiebureau zeiden ze dat je mensen mag bedreigen. Dat is blijkbaar niet verboden voor de wet. Pas op het moment dat iemand je iets aandoet grijpen ze in. Nu ben ik zelf gelukkig niet bang aangelegd. Maar stel dat je uit angst niet meer je huis uit durft?

“Wat voor een moeder ik ga worden? Ik heb geen flauw idee. Misschien word ik wel heel betuttelend en beschermend”

Inmiddels ben ik viereneenhalve maand zwanger van Lansana. Eerst wilde ik nooit kinderen, maar met hem wel. We willen het liefst in Afrika blijven wonen, want we werken allebei met ex-kindsoldaten, en die zijn voornamelijk daar. Ik vind het leven in Afrika veel aantrekkelijker dan in Nederland. Ook voor kinderen, mits ze ouders hebben met geld. Alleen is de gezondheidszorg daar helaas lang niet zo goed als hier. 

Wat voor een moeder ik ga worden? Ik heb geen flauw idee. Misschien word ik wel heel betuttelend en beschermend. Ik heb zelf een goede opvoeding gehad. Maar de manier van stimuleren: mijn moeder leerde me al lezen toen ik vier jaar oud was, mag best een tandje minder. Want ondanks dat ik er veel aan heb gehad, heb ik dat ook als een druk ervaren. En nog steeds. Als ik mensen zie met een relatief eenvoudig beroep en een leuk inkomen zoals bijvoorbeeld schoonheidsspecialiste, denk ik weleens: ik wou dat ik meer zo was. Want voor mij is het nooit genoeg. Als ik iets heb bereikt, moet ik weer een stapje hoger. Aan de ene kant fijn maar aan de andere kant ook doodvermoeiend. Ik ben altijd aan het werk. 

Het lijkt me heerlijk om daar straks als ik moeder ben, minder tijd voor te hebben. Ik ben nu ook ontzettend moe, en heb al twee dagen niks gedaan zonder schuldgevoel. Normaalgesproken vrat het me op en nu denk ik: ik heb lekker gerust, dat is goed voor de baby.”

Ginny Mooy (35) is een in 2007 afgestudeerde Cultureel Antropoloog die in Sierra Leone onderzoek doet naar de ervaringen van ex-kindsoldaten. Ze leeft tussen de jongens, en heeft door dit intensieve contact hun vertrouwen gewonnen. Haar eerste boek ‘De wil om te doden’  gaat over kinderen die worden ingelijfd en verplicht om mee te vechten tijdens de burgeroorlog in Sierra Leone (1991-2002.) Ze martelen, plunderen, verkrachten, verminken en doden de vijand. 

In april verscheen haar tweede boek ‘Moordjongens’, geschreven voor jongeren vanaf 12 jaar. Het vertelt de waargebeurde ervaringen van twee kindsoldaten. Idrissa is elf jaar als hij door zijn oom wordt ingelijfd bij het rebellenleger. Als hij voor de eerste keer geconfronteerd wordt met het doorgeladen geweer van de vijand, is hij doodsbang en schiet hij zonder te kijken. Daarna is doden niet moeilijk meer. Onder invloed van drugs wordt hij een wrede generaal, die andere kinderen dwingt om mee te vechten.

http://www.ginnymooy.com