Ziep, Rolstoel, Toverpaard, het kinderboek van Freek van Duin

Begin 2014 werd ik door Mijn Geheim op pad gestuurd voor een dubbelinterview met Freek van Duin, een 23-jarige jongeman met de ziekte van Duchenne, en zijn moeder Ria. Twee mensen met een enorm positieve inslag en ik zal nooit het hilarische moment vergeten hoe ze samen plotseling Brigitte Kaandorp imiteerden: “Ik heb een heel zwaar leven… echt heel zwaar… alles is voor mij ontzettend moeilijk… moeilijk, moeilijk, moeilijk…” Ik lag onder de tafel van het lachen.

Lees hier mijn interview met Freek: https://www.mijngeheim.nl/wp-content/uploads/2019/01/MG1401p04_08Duchenne.pdf

Directe aanleiding van het interview was Freeks boek: Duchenne, Het leven als een schaakspel, geschreven onder het pseudoniem Freark Alexander, zijn officiële Friese naam. Ondertussen speelde Freek al met een idee over een tweede boek en dat is zojuist uitgekomen! Een enorme prestatie als je je bedenkt dat hij enkel zijn vingers kan bewegen!

Het kinderboek Ziep, Rolstoel, Toverpaard is geïllustreerd door tekenaar Kees Koorevaar. Tim Knol en zijn platenmaatschappij Excelsior boden aan om het boek uit te brengen in combinatie met een soundtrack.

lees alles hierover op Freeks website: https://www.freekvanduin.com

en bestel het boek en de cd in de shop van Excelsior: https://shop.excelsior-recordings.com/products/freek-van-duin-ziep-rolstoel-toverpaard

Ginny Mooy – Moordjongens

Nu antropologe Ginny Mooy regelmatig in het nieuws is vanwege haar plek binnen het Red Team, ben ik even in mijn archief gedoken op zoek naar het interview dat ik in 2009 met haar had voor Mijn Geheim.

Cultureel Antropologe Ginny Mooy (35) doet onderzoek naar voormalige kindsoldaten in Sierra Leone. Onlangs verscheen haar boek ‘Moordjongens’, waarin ze de waargebeurde ervaringen van twee kindsoldaten beschrijft. Inmiddels verwacht ze een baby van haar vriend Lansana, zelf ook een ex-kindsoldaat.

tekst en foto’s: Miranda Birney

Moordmachines

“Ik had een fascinatie voor oorlogsslachtoffers. Het verwonderde mij hoe sterk deze mensen waren om na een oorlog weer een leven op te bouwen. Kindsoldaten vond ik de meest extreme vorm van oorlogsslachtoffer zijn. In een interview op televisie vertelde een mevrouw dat er jaarlijks zo’n 300.000 kindsoldaten werden ingezet in de gewapende strijd. Er werd over gesproken alsof het moordmachines waren waarmee het nooit meer zou goed komen. Deze kinderen zouden in een cyclus van geweldpleging terechtkomen. De boodschap was duidelijk: zij kennen niets anders dan geweld. Ik dacht toen: hoe kan het dat we daar nooit iets over horen? Dan verwacht je toch berichten over geflipte kindsoldaten die zomaar met een geweer of kapmes ergens een hele schoolklas uitmoorden? Maar die dingen gebeurden daar kennelijk niet. In westerse landen wel. Hoe is dat mogelijk? Terwijl wij met z’n allen zo lekker normaal zijn, en zij zo ‘abnormaal’? Ik wilde weten wat er na de oorlog gebeurde met deze voormalige kindsoldaten.

Tijdens mijn studie antropologie leerde ik een paar ex-kindsoldaten uit Sierra Leone kennen. Ze woonden achter ons, in een soort tussenfasehuis waar statushouders wachten op een woning. Ik sprak met ze, en ging over kindsoldaten lezen. Bij antropologie sluit je je afstudeerveldwerk af met een veldwerkperiode. Voor mij was het duidelijk. Ik wilde werken met kindsoldaten en vertrok in 2006 voor vier maanden naar Sierra Leone.

“Ik kon naar ze luisteren zonder over hun oorlogsdaden te oordelen”

Mijn onderzoeksmethode was echt participerende observatie, zoals dat heet in de antropologie. Dat betekent dat je met je onderzoeksgroep samenleeft, en er van binnenuit achterkomt wat speelt in hun leven. Zij stonden van hun kant ook open voor mijn onderzoek. Want als er een westerling komt met geld of mogelijkheden, klampen ze je vast, in de hoop dat je iets voor ze kan betekenen. Ik ging op basis van gelijkwaardigheid met de jongens om, leefde hun leven en sloot al snel vriendschap met ze. Ze vertelden mij over hun gevoelsleven en deelden hun geheimen.

Ik kwam daar met een specifiek doel: ik wilde over hun oorlogservaringen horen. Het was vijf jaar na de burgeroorlog, dus de gebeurtenissen waren vrij vers. Binnen de samenleving werden de ex-kindsoldaten vaak met de nek aangekeken, en werd er niet openlijk over hetgeen gebeurd was gepraat. De kinderen waren vaak een of beide ouders verloren, of banden met familie waren verbroken. Misschien was het voor de jongens ook makkelijker om de gruwelijke verhalen en ervaringen te vertellen aan iemand van buitenaf. Ik kon naar ze luisteren zonder over hun oorlogsdaden te oordelen.

De meeste jongens die ik sprak hebben geen oorlogstrauma. Dat komt doordat ze tijdens het vechten constant onder de drugs zaten. De cocaïne werd rechtstreeks het hoofd ingespoten, en aan het eten werd marihuana toegevoegd. Ze waren de hele dag knetterhigh en zopen ook nog veel. Die voortdurende roes maakt dat hun herinnering aan alles wat ze hebben meegemaakt vaag is. Het ‘geluk’ voor deze kindsoldaten is dat ze achteraf konden zeggen: ik was mezelf niet. Ik was een willoze slaaf want onder invloed van drugs. Dat was voor hun een manier om niet de verantwoording voor hun daden te nemen. Ook in een land als Soedan hebben veel kinderen deelgenomen aan oorlogshandelingen, maar zij vochten niet onder invloed van drugs. Door hun nog levendige herinneringen hebben zij het daarom veel moeilijker om hun leven weer op de rails te krijgen.

Na de oorlog hebben de kindsoldaten uit Sierra Leone natuurlijk te maken gehad met ontwenningsverschijnselen die ze keihard hebben moeten doorstaan. De meesten hebben daar nu geen last meer van. Wel merk je dat ze vaak lijden aan concentratiestoornissen en daardoor leerachterstanden hebben. Hun hersenen hebben een flinke optater gekregen. Er zijn ook jongens bij die nog steeds verslaafd zijn en in de criminaliteit terecht zijn gekomen. Zij hebben hun leven totaal niet op orde. En drugsopvang in Sierra Leone bestaat niet, en al helemaal geen methadon. 

Relatie

De eerste week kreeg ik al een relatie. Ik kwam op maandagavond aan en leerde Lansana (26), ook ex-kindsoldaat, op dinsdagochtend kennen. De eerste vraag die hij me toen stelde was: “Heb je er wel eens aan gedacht om ooit een relatie met een zwarte man te beginnen?” Ik antwoordde: “Waarom niet, ik zie geen kleurverschil. Maar ik ben hier niet gekomen voor een romance.” We hadden al contact met elkaar gehad toen ik nog in Nederland was, omdat hij mijn onderzoeksassistent zou worden. ‘Hoe gaan we elkaar herkennen?’, hadden we ons afgevraagd, waarop we elkaar een foto mailden. Ik belde hem vervolgens op waarop hij tien minuten lang alleen maar bleef stamelen: “Oh, you are so beautiful, you are so beautiful…” Ik dacht: dit gaat echt niet goed.

Toen we elkaar voor het eerst in Sierra Leone ontmoetten was hij helemaal onder de indruk van mij. Maar ik moest daar zoveel doen in die vier maanden. Ik was een zeer gedreven student en had echt geen tijd voor een relatie. Mijn ex-vriend ging na een relatie van zes jaar bij me weg omdat ik alleen maar met mijn neus in de boeken zat. Zo saai. Ook nu was ik enorm gefocust op mijn doel. En als ik iets met iemand zou beginnen, dan zeker niet met mijn onderzoeksassistent. Maar op zaterdag was het zover. We kregen een relatie, maar werden ook hele hechte vrienden.

“Toen ik na die vier maanden terugvloog naar Nederland, voelde het alsof er een arm bij me was afgehakt”

De manier waarop ik onderzoek naar voormalige kindsoldaten doe is heel erg pittig. Ik duik helemaal in hun leven en het gaat continu over oorlog. Over de gruweldaden die de jongens hebben gepleegd. Vaak ook onder dwang, want wie weigerde werd zelf vermoord. Ze geloven nog steeds niet in de stabiele vrede, dus als er politieke onrust is, zijn ze meteen in paniek en bang voor oorlog. Dat is heel zwaar om mee te maken. Je moet het als onderzoeker ook zelf allemaal kunnen behappen wat ze vertellen: moorden, martelen, verkrachten. Maar Lansana en ik maakten dat samen mee en dat gaf ons een heel sterk gevoel van eenheid. Toen ik na die vier maanden terugvloog naar Nederland, voelde het alsof er een arm bij me was afgehakt. Ik voelde me niet meer compleet.

Stichting Mind to Change

Ongeveer een half jaar later vertrok ik voor de tweede keer naar Sierra Leone, en toen ben ik daar gebleven. Ik besloot om promotieonderzoek te doen want er waren nog zoveel vragen. Daarnaast wilde ik ook graag iets voor ze te betekenen. Ik wilde iets terugdoen omdat ik ook iets nam. Daarom heb ik een jaar geleden de stichting Mind to Change opgericht die projecten gaat opzetten. Er blijkt vooral behoefte te zijn aan praktische hulp zoals de mogelijkheid om een vak te leren of een scholing te doorlopen, zodat ze zelf een stabiel en zelfstandig leven kunnen opbouwen met werk, een huis en een vriendenkring. De meeste jongens wonen als huisknecht bij hun eigen familie, of ze wonen in bij een vreemde familie. Ze doen de huishoudelijk klussen en kunnen daarnaast naar school. Al zijn ze zelf inmiddels geen kind meer, ze moeten wel naar de familie luisteren, zodat ze opnieuw een sociaal referentiekader opbouwen dat ze lange tijd hebben gemist. Het is een betere leefsituatie voor ze, dan dat ze met z’n allen in een opvanghuis zitten met alleen elkaars normen en waarden. 

Ik heb zoveel van deze ex-kindsoldaten ontmoet, ik kan ze niet tellen. Ze komen uit verschillende dorpen en steden, maar de meesten wonen in mijn eigen woonplaats Bo, vijf uur rijden van de hoofdstad Freetown. Sommigen zijn weer geaccepteerd door hun familieleden en hebben een fijne positie gevonden in de samenleving. Anderen worden nog steeds uitgekotst, en dat is de groep die ik wil helpen met de stichting Mind to Change.

Voor mijn promotieonderzoek heb ik een groep samengesteld van 25 jongens die ik blijf volgen met een harde kern van 10. De jongste is nu 17 jaar en de oudste 36. Er zijn intussen ook meisjes bij gekomen, want er zijn ook vrouwelijk kindsoldaten.

Seksuele rooftocht

Van de meisjes wist ik dat ze ongeveer dezelfde ervaring hebben wat betreft vechten en hun rekrutering. Maar er komt een ander heel zwaar onderdeel bij, en dat is dat ze vrijwel allemaal seksueel zijn misbruikt. Er waren ook meisjes die dit misbruik op een gegeven moment als een soort handel gebruikten, om bepaalde situaties in hun voordeel te manipuleren.

De jongens zeiden: “Als je wrede kindsoldaten zoekt moet je bij de meisjes zijn, die zijn het ergste van iedereen.” Een van de eerste verhalen die ik hierover hoorde was van een jongen die een vriendin had die ook in het leger zat. Als zij zich verveelde ging ze op seksuele rooftocht, laat ik het maar zo noemen. Dan ging ze met een stel meiden de wijken in om mannen te dwingen seks met ze te hebben, op een hele verschrikkelijke manier. Toen heb ik besloten om daar niks mee te doen. Want ik begrijp het niet, en ga dat in zo’n korte periode ook niet begrijpen. Seksueel misbruik en seksuele manipulatie, en hoe dat in elkaar overgaat, is een onderzoek op zich. Als ik dat allemaal te snel ineens ga doen, dan wordt het echt teveel voor me. Je moet je onderzoek ook afbakenen. Ik heb nu 10 meisjes en daar hou ik het bij.

“Hoe zeer je ook je best doet om gewoon Nederlander te zijn, je blijft voor Nederlanders toch altijd een buitenlander”

Indisch

Waar mijn speciale interesse naar oorlog vandaan komt weet ik eigenlijk niet. Ik herinner me wel dat mijn vader op een gegeven moment heel erg kwaad werd omdat ik, samen met mijn broer en zus, oorlogje aan het spelen was tijdens Dodenherdenking. Dat maakte mij nieuwsgierig, want wat was er zo bijzonder aan? Er werd bij ons thuis niet alleen veel aandacht besteed aan de oorlog, maar ook aan racisme. Mijn moeder is na de oorlog geboren, en kwam op haar derde jaar uit Indonesië naar Nederland. Mijn vader is Nederlands, dus ben ik Indisch.

Mijn moeder zei vroeger altijd tegen mij: “Denk erom, ten eerste ben je vrouw, dus er zal van jou twee keer zoveel worden verwacht dan van een man. En ten tweede: je bent een kleurling. Dus je zal altijd heel hard moeten werken om jezelf te bewijzen.” Daar is in mijn opvoeding altijd veel nadruk op gelegd.

Ik voelde me niet thuis in Nederland. Op de basisschool in Amsterdam werd ik met mijn zusje altijd in groepjes gezet met de allochtone kinderen. En toen we naar Almere verhuisden kregen we automatisch een plekje aan het tafeltje met de Vietnamese bootvluchtelingen. De Nederlandse kinderen zaten aan andere tafeltjes bij elkaar. Als klein kind heb je niet door dat je anders bent dan andere kinderen. Totdat het uitschelden begint en de rare opmerkingen. Ik werd voor ‘blauwe’ uitgescholden en voor ‘poepchinees’. Dan sta je opeens overal buiten. En hoe zeer je ook je best doet om gewoon Nederlander te zijn, je blijft voor Nederlanders toch altijd een buitenlander. Dat idee heb ik altijd gehouden.

Maar ik heb misschien de pech dat ik op een Marokkaan lijk. Dat merkte ik vooral na de dood van Pim Fortuyn. Ik werd en wordt uitgemaakt voor ‘kankermarokkaan’, en ook weleens voor ‘kutturk’. Mensen wilden in de tram niet naast mij zitten. En na de moord op Theo van Gogh ben ik weleens in het openbaar vervoer door mensen in mijn gezicht gespuwd en aan mijn haren getrokken. Nee, je wilt geen Marokkaan zijn in Nederland, echt niet. Maar Marokkanen doen het zelf ook. Zij zagen mij weleens aan voor een Marokkaans meisje zonder hoofddoek, en riepen dan: hee, blanke hoer!

“Wat ik zo heerlijk vind in Afrika is: je zit in het openbaar vervoer en een meisje achter je begint zomaar te zingen”

Nu ik veel in Afrika ben en dus vergelijkingsmateriaal heb, merk ik ook dat het levensritme hier in Nederland minder goed bij me past. In Afrika kan je best om zeven uur in de ochtend iets afspreken, maar verwacht niet dat ik er dan keurig netjes bij zit. Het leven is daar veel gemoedelijker.

Schone schijn

Hier gaat het allemaal om de buitenkant en de schone schijn. Mensen hebben niks menselijks meer, dat poetsen we allemaal weg. We gaan niet met ongekamde haren en zonder make-up naar de supermarkt. Alles wat menselijk is wordt binnenshuis gehouden. Zelfs in relaties vind ik dat mensen veel toneelspelen naar elkaar. Lijnen, onzekerheid over het uiterlijk, elkaar controleren. Je moet spannend blijven en interessant. Ik ken maar heel weinig mensen die het achterste van hun tong laten zien binnen de relatie. Mijn vriend kent wel echt al mijn nare trekjes. Nee, die schone schijn ophouden, dat heb ik niet zo.

In Sierra Leone is weinig schaamte en perfectionisme. De mensen van ‘mijn klasse’ zijn wel heel erg gericht op de prestaties van de kinderen. Als je de mogelijkheid hebt om naar school te gaan, ga je in je vrije tijd naar een debatclubje. Maar ze stimuleren het op een relaxte manier en je mag zoveel fouten maken als je wil. Als je in Nederland iets doet moet je van tevoren al weten dat je het voor 100% perfect gaat doen. Dat vind ik heel vermoeiend. Wat ik zo heerlijk vind in Afrika is: je zit in het openbaar vervoer en een meisje achter je begint zomaar te zingen. En dan gaat een ander meezingen. Als je dat hier doet vinden ze je meteen een idioot. Dat is Nederland. Benauwend. Je kan niet experimenteren met jezelf want alles word je aangerekend.

Maar heilige huisjes bestaan niet voor mij. Dus op mijn weblog ben ik lekker aan het experimenteren. Mensen mogen alles van me weten. Ik ben niet perfect en zo wil ik me ook niet voordoen.

Hatemail

Het liefst schrijf ik over gevoelens of gebeurtenissen waarvan ik denk dat heel veel mensen ze hebben, maar er niet zo openlijk over durven te praten. Ik ben een aansprekend rolmodel voor vrouwen, ook vanwege mijn uiterlijk, en zie het als een taak om ze aan het denken te zetten. Ik vind het heerlijk om ponerend te schrijven over onderwerpen zoals porno, pijpen of hoerenlopen en lekker tegen een zeer been aan te trappen. Dat is mijn schrijfstijl, ik ben ook niet van de nuance ofzo.

Hoewel…Sierra Leone heeft me wel iets zachter gemaakt. Ik had echt zo’n scherpe Hollandse tong. Je dropt een stelling en dan volgt er een zwart-wit discussie. Dat kennen ze daar niet. Ik heb geleerd dat een scherpe tong ook heel onhebbelijk is en veel open discussie in de weg staat.

Ik krijg veel positieve reacties op mijn blog, maar ook hatemail. “Negerhoer, rot op naar je bananeneiland, anders pakken we je. We weten je te vinden.” Ik laat deze dreigementen expres staan zodat mensen kunnen zien dat het echt gebeurt. Op het politiebureau zeiden ze dat je mensen mag bedreigen. Dat is blijkbaar niet verboden voor de wet. Pas op het moment dat iemand je iets aandoet grijpen ze in. Nu ben ik zelf gelukkig niet bang aangelegd. Maar stel dat je uit angst niet meer je huis uit durft?

“Wat voor een moeder ik ga worden? Ik heb geen flauw idee. Misschien word ik wel heel betuttelend en beschermend”

Inmiddels ben ik viereneenhalve maand zwanger van Lansana. Eerst wilde ik nooit kinderen, maar met hem wel. We willen het liefst in Afrika blijven wonen, want we werken allebei met ex-kindsoldaten, en die zijn voornamelijk daar. Ik vind het leven in Afrika veel aantrekkelijker dan in Nederland. Ook voor kinderen, mits ze ouders hebben met geld. Alleen is de gezondheidszorg daar helaas lang niet zo goed als hier. 

Wat voor een moeder ik ga worden? Ik heb geen flauw idee. Misschien word ik wel heel betuttelend en beschermend. Ik heb zelf een goede opvoeding gehad. Maar de manier van stimuleren: mijn moeder leerde me al lezen toen ik vier jaar oud was, mag best een tandje minder. Want ondanks dat ik er veel aan heb gehad, heb ik dat ook als een druk ervaren. En nog steeds. Als ik mensen zie met een relatief eenvoudig beroep en een leuk inkomen zoals bijvoorbeeld schoonheidsspecialiste, denk ik weleens: ik wou dat ik meer zo was. Want voor mij is het nooit genoeg. Als ik iets heb bereikt, moet ik weer een stapje hoger. Aan de ene kant fijn maar aan de andere kant ook doodvermoeiend. Ik ben altijd aan het werk. 

Het lijkt me heerlijk om daar straks als ik moeder ben, minder tijd voor te hebben. Ik ben nu ook ontzettend moe, en heb al twee dagen niks gedaan zonder schuldgevoel. Normaalgesproken vrat het me op en nu denk ik: ik heb lekker gerust, dat is goed voor de baby.”

Ginny Mooy (35) is een in 2007 afgestudeerde Cultureel Antropoloog die in Sierra Leone onderzoek doet naar de ervaringen van ex-kindsoldaten. Ze leeft tussen de jongens, en heeft door dit intensieve contact hun vertrouwen gewonnen. Haar eerste boek ‘De wil om te doden’  gaat over kinderen die worden ingelijfd en verplicht om mee te vechten tijdens de burgeroorlog in Sierra Leone (1991-2002.) Ze martelen, plunderen, verkrachten, verminken en doden de vijand. 

In april verscheen haar tweede boek ‘Moordjongens’, geschreven voor jongeren vanaf 12 jaar. Het vertelt de waargebeurde ervaringen van twee kindsoldaten. Idrissa is elf jaar als hij door zijn oom wordt ingelijfd bij het rebellenleger. Als hij voor de eerste keer geconfronteerd wordt met het doorgeladen geweer van de vijand, is hij doodsbang en schiet hij zonder te kijken. Daarna is doden niet moeilijk meer. Onder invloed van drugs wordt hij een wrede generaal, die andere kinderen dwingt om mee te vechten.

http://www.ginnymooy.com

Teuntje de Haan verloor haar vader tijdens de Watersnoodramp

IMG_2974

Al ben ik zelf van na ’53, dat jaartal associeer ik altijd met de Watersnoodramp. De verhalen erover op de lagere school hebben vroeger diepe indruk op mij gemaakt. Na het lezen van het boek van Teuntje, en door het interview dat ik onlangs met haar had, heb ik er een nog duidelijker beeld bij gekregen. Heftig!

lees hier het interview/ klik op de link:

MGS1807 p06-11 Watersnoodramp Teuntje de Haan

 

 

Leven met een dwarslaesie

Niek van den Adel

Toen ik Niek van den Adel interviewde kon ik natuurlijk niet bevroeden dat ik twee jaar later zelf met een dwarslaesie zou moeten leren leven, al heb ik godzijdank een partiële dwarslaesie en geen complete zoals Niek.

Tijdens mijn interne revalidatie op de dwarslaesie afdeling van Reade heb ik veel mensen zoals Niek ontmoet. Ongelooflijk sterk, humorvol en altijd optimistisch, in elk geval aan de buitenkant. Zijn boek Crash lag tijdens de voorlichtingsmiddagen op de leestafel. Nadien heb ik het onderstaande interview met hem nog eens doorgelezen, maar toch met een heel andere blik… Zo zie je maar, elk interview is slechts een momentopname. Ik zou hem nu waarschijnlijk weer heel andere vragen stellen.

MG1604p04_08TussenDeRegels

Waarom lig ik eigenlijk op een dwarslaesieafdeling?

IMG_8622

19 april 2017 Reade

Tien dagen na mijn operatie in het AMC word ik per ambulance vervoerd naar revalidatiecentrum Reade aan de Amsterdamse Overtoom. De chauffeur duwt mijn rolstoel naar de derde verdieping en zoekt naar een verpleegkundige.

“We verwachten geen Birney, misschien moet u op de tweede zijn.”

Daar wacht ons hetzelfde verhaal.

“Het is altijd wat!”, moppert de ambulancebroeder.

Ondertussen kijk ik behoedzaam en nieuwsgierig om me heen. Het is een plotselinge noodgedwongen verandering van woonomgeving zoals ik al vaker heb meegemaakt in mijn leven. Weliswaar voor tijdelijk, maar voorlopig zal ik hier mijn plek moeten veroveren.

Op de eerste verdieping, afdeling D, hier moet ik zijn.

De gangen doen dienst als parkeerplaats voor ontelbare rolstoelen in alle soorten en maten. Elke keer als we een toiletruimte passeren word ik bedwelmd door een penetrante stank van urine en ontlasting. Later zal ik begrijpen waarom. Er hangt veel kunst aan de muren en de patiënten zien er best goedgeluimd uit. In een grote binnenruimte staat een piano, een paar hometrainers, twee computers, een rolstoelweegschaal en een tafel met spelletjes en tijdschriften. De kamer waar de verpleging bivakkeert kijkt erop uit. Er hangt een huiselijke warme sfeer.

Stephanie, een piepjonge blondine met een Noord-Hollands accent, brengt me naar een vierpersoonskamer en parkeert mijn rolstoel naast het eerste ziekenbed rechts. Ik word voorgesteld aan twee mannen en een vrouw, alledrie zo’n beetje rond mijn leeftijd. Tussen onze bedden hangen lichtkleurige katoenen gordijnen, maar die zijn open. Aan de muren met ansichtkaarten is af te lezen hoe lang de anderen hier al liggen. In de vensterbank staan bloemen en paasstukjes en op de luchtstroom danst een lachende ballon.

Daar ben ik dan.

De vrouw naast me heeft iets vreemds aan haar schouder, iets met het zenuwstelsel. De mannelijke kamergenoten hebben jaren geleden op jonge leeftijd een dwarslaesie opgelopen en zijn hier vanwege complicaties. Ik weet dat een dwarslaesie iets vreselijks is. Ik heb een keer iemand geïnterviewd die dat heeft, meer dan dat weet ik er niet van. Wel vreemd dat ze mij hier tussen leggen.

“Waarom lig ik eigenlijk op een dwarslaesieafdeling?”, vraag ik aan Stephanie.

“Omdat je een dwarslaesie hebt”, antwoordt ze schaapachtig. “Hebben ze je dat niet verteld in het AMC?”

Bam!

Mijn onderlijf is nog voor een deel verlamd, ik kan amper lopen en voel me een hulpeloos kind compleet met volgepoepte luiers. Ik kan niet meer plassen en zes keer per dag spreid ik mijn benen om handmatig te worden gekatheteriseerd, steeds weer door een andere verpleegster of verpleger. Het herinnert me aan het seksueel misbruik waar ik als vijftienjarige mee moest dealen. Dat oude monster duikt weer op, mijn leven trekt aan me voorbij.

Ik waan me terug in het kindertehuis, op slaapzaal met ieder een eigen kastje, me terugtrekken in bed, de stinkwc’s en de leiding die op een vast tijdstip het licht uitdoet. Net als vroeger observeer ik hier het groepsproces tijdens de maaltijden, we grappen over de Hollandse pot en delen onze dagelijkse ongemakken. Ik verover mijn plek.

Maar de tranen gaan weer stromen, net als de dagen ervoor in het AMC. Niet eens zozeer vanwege die afgrijselijke diagnose die mijn hele leven overhoop gooit. Ik huil vanwege het boek dat ik al drie keer heb gelezen en dat ik sinds mijn opname als een versleten bijbel bij me draag. Ook nu weer ligt De tolk van Java op mijn nachtkastje.

Ik kan me niet herinneren ooit zoveel te hebben gehuild.

Een week later word ik tot mijn verrassing onverwacht overgeplaatst naar een van de weinige eenpersoonskamers, compleet met eigen badkamer en toilet.

Vooruit achteruit

OriginalPhoto-547028612.156952.jpg

Daar staat ze weer mooi te wezen in het scheepsdok: Alida, mijn voormalige binnenvaartsleper waar ik al 36 jaar op woon. Voor mij is het nu de zevende keer dat ik met haar naar de werf ben, en voor de tweede keer bij deze werf waar ik de naam niet van zal noemen. Waarom, dat zal later duidelijk worden.

Eerst een stukje geschiedenis

Na een paar onderhoudsbeurten bij scheepswerf Brouwer in Zaandam, wilde ik eens een kleinere werf uitproberen, iets dichter bij ‘huis’. De gigantische Güldner scheepsmotor van 6 oude paardenkracht was al in 1983 uit de Alida gehesen door ‘die lange’, zoals de sluwe Amsterdamse scheepssloper Willem Jansen op het sloopterrein bij Wittenburg werd genoemd.

“Hoe diep steekt tie nu?”, mompelde de ouwe hellingbaas in Amsterdam-Noord. En na wat gepeins en gereken: “Laat maar komme, die verdomde schuit.” En ja hoor, scheepswerf De Ceuvel-Volharding bleek net krachtig genoeg om mijn stalen bakbeest te temmen al was het een zenuwslopende operatie.

Ook het kleine scheepswerfje Stella Maris aan de Klaprozenweg kreeg niet dagelijks zo’n zwaargewicht over de vloer. Vader en zoon bestudeerden daarom vooraf uitgebreid het laatste hellingrapport, de oude meetbrief en mijn foto’s, en het lukte! Prompt prijkte mijn Alida op het droge nog datzelfde jaar op hun nieuwjaarskaart voor de vaste klandizie. Die hadden ze toch maar mooi met man en macht op de helling getrokken!

Je staat dan plots op het droge in een totaal andere wereld temidden van gehamer op staal, lawaaierige aggregaten, geknetter van smeltende elektroden, verblindende laslichten, spuitende waterstralen, oliestank, verfwalm en geschreeuw. Je weet precies wanneer ze aan de koffie zitten. Tijd voor scheepsles! Vooral oude bootwerkers met die door zon en teer verweerde koppen en handen als kolenschoppen, beschikken over een enorme stoot aan praktijkervaring en vakkennis. De verhalen over de Amsterdamse woonboten, veelal voormalige binnenvaartscheepjes, mogen niet verloren gaan en worden op de werven doorverteld.

Verhalen aan wie het maar wil horen

Op de meetbrief van Alida staat: bouwjaar en bouwplaats onbekend. Maar aan de bouw van de romp en zelfs aan het profiel van de stalen platen boven het vlak in de machinekamer, kon zo’n bootwerker bij Brouwer aflezen dat Alida van origine een stoomsleper is van Duitse makelarij en daar ergens rond 1900 moet zijn gebouwd. Dat verhaal werd later weer door anderen bevestigd. Er zouden zelfs kanonnen op hebben gestaan en het schip was hoogstwaarschijnlijk achtergelaten door de moffen tijdens hun vlucht uit Nederland. Feitelijk bewoon ik dus een oorlogsbuit.

Ook weet ik dat Alida kort na de Tweede Wereldoorlog door een te zware sleep is gekapseisd en gezonken op het IJsselmeer, waarbij twee van de drie opvarenden, de eigenaar en een matroos, zijn verdronken. Soms spookt dat zeiknatte tweetal ’s nachts verveeld rond in het achteronder wat nu mijn badkamer is, en dan roep ik boos vanuit de aangrenzende slaapkamer dat ze moeten opzouten omdat ik wil pitten.

En later, eind jaren ’70, hebben een stel klungels van een scheepswerf in het Amsterdamse Bos deze kanjer door een hellingkar laten zakken. De schade is nog steeds zichtbaar. Aan bakboord ontbreekt een paar meter potdeksel en een setje bolders en in de scheepshuid onder de waterlijn zit een enorme deuk. Laat dat maar eens repareren.

En dan nog de grote brand op 21 december 1998 waarbij mijn zesjarige dochtertje en ikzelf ternauwernood aan de dood ontsnapten! De helft van mijn schip fikte af en mijn huisraad dreef óf in de Amstel, óf was verworden tot zwartgeblakerd of stinkend afval. Het heeft ruim anderhalf jaar geduurd en veel gekost, ook tranen natuurlijk, maar uiteindelijk is alles goedgekomen. Zelfs meer dan dat. Maar dat is weer een heel ander verhaal ;-)

Met de boot naar de helling

Dat beleefde ik altijd als een klein avontuur. Nadat het schip met de hellingkar op het droge was getrokken, spoot ik de scheepshuid schoon met zo’n krachtige hogedrukspuit waar je lekker met je volle gewicht tegenaan moest hangen om niet om te lazeren. Je hoorde de arme mosseltjes piepen. Zodra het schip droog stond, kwam de werfbaas met een grote voorhamer en ramde erop los. Aan het geluid kon hij horen waar zwakke plekken zaten. Een paar rotte klinknagels oplassen was normaal maar als ik pech had, moest er ergens een plaatje komen. Een dure grap, maar er viel altijd op een speelse manier wat af te dingen of een beetje te sjoemelen door een deel te betalen zonder bon.

En dan tweeenhalve dag teren met de bokkepoot en rollers aan een lange stok, tweemaal rondom tot aan het berghout en een keer extra op de waterlijn. Met hulp van vrienden, soms ook alleen. Met een volgesmeerde kop vaseline en een hoofddoekje op of pet. Het was altijd wel afzien maar het scheelde honderden guldens.

Ondertussen kampeerde ik dan in mijn eigen boothuis zonder aansluitingen en afvoer, dus ook zonder douche en plee. Maar het personeel deed altijd moeite om het me zo comfortabel mogelijk te maken met een draadje stroom, een waterslangetje en bij Stella Maris zelfs een afvoer van het toilet! Wat een service! Eenmaal terug in het water kwam het sleepbedrijf van Ramiro da Silva om de boot weer terug te slepen naar haar vertrouwde stek op de Amstel.

Maar tijden veranderen

Zelf afspuiten mag niet meer en de vervuilde riviermosseltjes die vroeger gewoon in de rivier werden gedumpt, worden nu gewogen en voor het afvoeren betaal je per gewicht. Ook het zelf afkrabben en teren onder de waterlijn is verleden tijd. Dat is nu opeens te gevaarlijk. Echte teer mag trouwens niet meer worden gebruikt. De milieuvriendelijke smeersels hebben nu dure namen zoals Sigma Vikote 12 primer en Vikote 42 coating, en ze spuiten die handel er in een mum van tijd op. En dat allemaal onder het mom van milieuvriendelijkheid. Maar ondertussen wordt daar uiteraard goed aan verdiend.

Kleine werfjes gingen op de fles vanwege allerlei gemeentelijke bouwplannen en nieuwe regelgeving. Zo wilde de gemeente een brug bouwen waardoor de 80 jaar oude scheepswerf De Ceuvel-Volharding niet langer bereikbaar zou worden voor schepen. Het voormalige terrein heet nu Ceuvel en is een broedplaats annex café geworden voor keuvelende jongelui. Ook het historische hellinkje aan de Tweede Wittenburgerdwarsstraat van de familie Beffers, waar mijn buren altijd naartoe gingen maar waar Alida te diep voor stak, werd door de gemeente weggesaneerd.

Sinds de oude werkbaas van Stella Maris is overleden richt de zoon zich liever op dekschuiten en het iets kleinere grut. Hij wil geen risico nemen met mijn schip en ik geef hem geen ongelijk. Ik moest weer uitwijken naar Zaandam waar men Alida in het droogdok kan zetten. Want al staat er geen scheepsdiesel meer in, vanwege haar diepgang blijft ze een lastige tante om op een helling te trekken.

Nu staat ze voor de tweede maal in dok 3 van een Noord-Hollandse scheepswerf.

De werf is sinds een paar jaar in handen van een nieuwe eigenaar, zo’n jonge miljonairszoon die zelf niets heeft hoeven opbouwen en dus ook niets heeft te verliezen. En dat is te merken… De voorheen vriendelijke scheepswerf is veranderd in een kil zakelijk bedrijf waar je bij binnenkomst een stapeltje A-4tjes met stompzinnige regeltjes in je handen krijgt gedrukt, inclusief boeteclausules bij overtredingen. Zaten er vroeger slechts twee mensen op kantoor, de baas en zijn secretaresse, nu is het kantoorpersoneel niet meer te tellen al maakt dat de communicatie allesbehalve helder. Wel wordt uitdrukkelijk medegedeeld om de factuur te voldoen vóór het verlaten van de werf. Over een deel betalen zonder bon durf ik niet eens te beginnen. Voor je het weet zien ze mij aan voor een witwascrimineel.

Enfin.

We zitten nu al bijna twee weken in de stank van verrotte vis bij een temperatuur van 26 graden omdat de afgespoten troep nog steeds niet is afgevoerd. De strontvliegen en binnenvaartmuggen draaien hier overuren. De stroom valt een paar keer per dag uit, zelfs tijdens de laswerkzaamheden, voor een beetje WiFi en een slangetje drinkwater liggen we te ver weg van het hoofdgebouw en aan het sanitair is de afgelopen jaren geen rooie cent besteed. Wat kost nou zo’n ding waar je een douchekop op kunt schuiven en waarmee je hem kunt richten op je hoofd in plaats van op de blinde muur? En dan vinden ze het raar dat al die nieuwgeldbootbewoners gedurende de hele werfbeurt op hun kont zitten onder de koperen ploert op Hawaï.

“Desinteresse”, noemde de bedrijfsleider het minachtend tijdens het maken van de afspraak voor onze werfbeurt. Ik was het volledig met hem eens. De nieuwe generatie woonbootbewoners begrijpt inderdaad niks van het botenleven. Ze kopen een schip, strippen de boel, plaatsen er een Ikeakeuken in en laten een paar rechthoeken uit de romp snijden voor een stel kunststof ramen. En als ze een meter water in het vlak ontdekken, komen ze bij ons een klokpomp lenen.

Die lui kom je op deze werf niet tegen. Maar zelfs ik, als doorgewinterde bootbewoonster kan ze daar helaas geen ongelijk in geven. De service richting klanten die tijdens de werfbeurt op hun boot willen blijven wonen is gedaald naar nul.

Ook de vaklieden die hier al tientallen jaren werken ergeren zich aan de aftakeling. De werf is als een stuurloos schip nu de stevige structuur is weggevallen en de authentieke sfeer om zeep is gebracht. Ze morren en zijn minder gemotiveerd nu ze ploeteren voor zo’n snelle jongen die zich verslikt in innovatie en niets begrijpt van het verleden, laat staan dat hij er iets van heeft geleerd. Kan hem wat schelen. Het zal me dan ook niets verbazen als de hele handel binnen een paar jaar van de hand wordt gedaan voor het driedubbele.

In een oude Schuttevaer lees ik een interview met hem en de quote bij het fotobijschrift zegt me genoeg: “De vorige directie was wat van de oudere stempel: jij doet zus, jij doet zo. Ik ben veel meer van: hoe zou jij dat doen?”

Eh…

Nou, als je het mij vraagt, in ieder geval niet zoals jij.

Koppzorgen, een boek van Judith Evelien

IMG_1041

Mijn eerste interview na een revalidatie van negen maanden vond plaats in het voor mij inmiddels zeer vertrouwde café van revalidatiecentrum Reade aan de Overtoom. Het was een warm en open gesprek met een mooie jonge vrouw die terugblikte op haar verdrietige jeugd.

Samen met een jongere broer groeide Judith Evelien op bij een depressieve en psychosegevoelige moeder die uiteindelijk geen uitweg meer zag en een einde aan haar leven maakte. In haar boek Koppzorgen vertelt Judith welke impact dit heeft gehad op haar leven.

Na afloop van het interview liepen we samen naar onze fietsen. Het was begin januari en inmiddels donker buiten. Ik was moe en voelde de bijwerkingen van mijn avondmedicatie opkomen: suffig in mijn hoofd en wazig zicht. Het was de eerste keer sinds mijn dwarslaesie dat ik op mijn aangepaste fiets in het donker door de stad moest fietsen. Ik voelde me wat onzeker. Dat had Judith, fijngevoelig als ze is, ogenblikkelijk in de gaten en ze stond erop om een stuk met me op te fietsen.

Thuisgekomen dacht ik bij mezelf: wat een leuk mens. Haar drie dochtertjes boffen maar met zo’n zorgzame moeder! En dat hebben ze misschien ook een beetje te danken aan hun overleden grootmoeder…

Dat zul je vast begrijpen als je het interview hebt gelezen met Judith Evelien MGSP1802_p056

Je kunt Judith ook volgen op haar Facebookpagina Koppzorgen.

Pascale Bruinen – Mijn eerste lijk is gelukkig vers

Schermafbeelding 2018-01-02 om 22.14.18.png

Inmiddels heeft Pascale een behoorlijke carrièreswitch gemaakt. In oktober 2016 verscheen haar tweede boek, Het jaar van de uil. Daarin beschrijft ze een heel bijzondere gebeurtenis die ze meemaakte na het overlijden van haar vader en die haar wereld totaal op haar kop heeft gezet…

Wil je het interview lezen? Klik dan op de link hieronder:

Pascale Bruinen TussenDeRegels

 

 

Thijske..

Terwijl we vrolijk kerst vieren voltrekt zich in Someren een persoonlijk drama. Wie herinnert zich het item in Joris’ Showroom over de keutelboer en kunstenaar Thijs van Deursen, door de dorpsgenoten lieflijk Thijske genoemd? Iedereen kent hem daar, het is hun paradijsvogel. Maar daar houden miesmuizers niet van. Vreemde vogels moeten worden gekortwiekt en lange tijd hebben een paar etters het leven van Thijske zuur gemaakt. Ze belden stiekem naar de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. Hij zou niet goed zijn voor z’n koeien want ze waren mager en hadden kromme ruggen. Wie weet nog hoe een oude koe eruit ziet? Bij Thijske mochten ze bejaard worden, dus lelijk. Niet te vergelijken met de opgepompte ‘schoonheden’ uit de bio-industrie. Thijske’s koeien stonden op z’n ouderwets buiten in de regen want voor een goede stal had hij geen centen. Maar zijn beesten kwamen niets te kort. Hij zorgde beter voor zijn dieren dan voor zichzelf maar daar had de plaatselijke politiek geen boodschap aan. Ze treiterden de man met regeltjes die normaliter gelden voor een professioneel boerenbedrijf. Uiteindelijk hebben ze hem zo dwarsgezeten dat hij het niet meer aankon. Hij wilde dood en heeft gif ingenomen maar men heeft hem voortijdig gevonden en opgenomen in een psychiatrische inrichting.
Op 21 december werd de Somerse Brugstraat afgesloten en hebben ze zijn dieren afgeschoten. Tenminste, de dieren die ze niet hebben kunnen vangen en dat schijnen er aardig wat te zijn geweest. Over dierenwelzijn gesproken… Ook heeft men zijn huis onbewoonbaar verklaard. Mocht Thijske van Deursen weer uit de kliniek komen, dan heeft hij niets meer. Ja, een torenhoge schuld vanwege het ongevraagd afschieten van zijn stieren waar hij wellicht de rekening van krijgt gepresenteerd. Alles wat hem dierbaar was, is hij kwijt. Zal hij ooit over dit grote verdriet heenkomen? De mensen die deze paradijsvogel de nek om wilden draaien, kunnen in ieder geval tevreden in hun handjes wrijven. Van die rare man zijn ze eindelijk af.

Hieronder het ontroerende televisie-item uit 2012